ASS

Een autismespectrumstoornis (ASS) is een ontwikkelingsstoornis waarbij de informatieverwerking in de hersenen verstoord is. ASS begint op jonge leeftijd en speelt het gehele leven een rol. Het heeft gevolgen voor vele aspecten van het leven, zowel voor het kind als zijn omgeving.

Symptomen

ASS is een stoornis in de informatieverwerking in de hersenen. Kenmerkend voor mensen met ASS zijn problemen op drie gebieden. Deze problemen komen bij mensen met ASS in meer of mindere mate voor:

  • Problemen op het gebied van sociale interactie en verbeelding: Kinderen zijn bijvoorbeeld erg in zichzelf gekeerd of maken geen oogcontact met anderen, ze kunnen zich moeilijk inleven in andere mensen.
  • Problemen op het gebied van communicatie en (lichaams)taal: Kinderen herkennen vaak geen gezichtsuitdrukkingen (boos, blij, verdrietig), hun taalontwikkeling is vaak vertraagd en afwijkend, ze nemen figuurlijke uitspraken letterlijk.
  • Beperkte, repetitieve gedragspatronen, interesses of activiteiten: Kinderen kunnen bijvoorbeeld helemaal opgaan in een bepaalde activiteit, zodat nergens anders aandacht meer voor is. In hun gedrag zijn vaak herhalende patronen te herkennen.
  • Over- of ondergevoeligheid voor zintuiglijke prikkels

Diagnose

Autismespectrumstoornissen vallen onder de psychiatrische stoornissen en worden geclassificeerd volgens de criteria van de DSM-5, de meest recente versie van het Amerikaanse handboek voor psychische stoornissen, een systeem dat wereldwijd gebruikt wordt. De voorloper van de in 2013 verschenen DSM-5, de DSM IV, kende nog verschillende subtypen van autisme, zoals de autistische stoornis (ook wel ‘klassiek autisme’ of ‘syndroom van Kanner’ genoemd), het syndroom van Asperger en PDD-NOS. Nu bestaat er dus nog maar één overkoepelende autisme-diagnose: de autismespectrumstoornis (ASS). Voor de eerdere subtypes van autisme zou onvoldoende wetenschappelijke onderbouwing zijn.

Een autismespectrumstoornis is niet met lichamelijk onderzoek, zoals een bloedonderzoek of een scan van de hersenen, vast te stellen. De diagnose is een ‘gedragsdiagnose’ en kan soms enkele maanden in beslag nemen. Hier kijkt men naar de (combinatie van de) drie al eerder genoemde symptoomgebieden: sociale interactie, communicatie, stereotiepe gedragingen en interesses. De diagnose kan gesteld worden door een (kinder- en jeugd)psychiater of een GZ-psycholoog, of door een multidisciplinair team geleid door een psychiater of GZ-psycholoog.

Kinderfysiotherapeutische begeleiding

De kinderfysiotherapeutische begeleiding is erop gericht om samen met uw kind, ouders/verzorgers en eventueel leraren/school te werken aan:

  • Deelname aan dagelijkse activiteiten thuis en op school verbeteren
  • Verbeteren van fijn en/of grof motorische vaardigheden
  • Betere coördinatie en een stabielere houding ontwikkelen
  • Wederkerige spelvaardigheden verbeteren (zoals samen een bal gooien en vangen)
  • Motorische imitatievaardigheden ontwikkelen (een ander iets zien doen en dat nadoen)
  • Algehele conditie en kracht verbeteren
  • Reageren op zintuiglijke prikkels verbeteren middels sensorische-informatieverwerkingstherapie (SI-therapie):

Ook kan uw kind, eventueel na eerst individuele begeleiding te hebben gehad, doorstromen in ons Beweegprogramma Fitkids (zie kopje ‘’Fitkids’’), om zo verder te werken aan o.a. bovenstaande doelen. Er wordt dan gewerkt in groepsverband en het uiteindelijke doel is om door te kunnen stromen in een passende sportactiviteit.

AD(H)D:

ADHD staat voor Attention Deficit Hyperactivity Disorder, de globale kenmerken van ADHD zijn: problemen met de aandacht, snel afgeleid, hyperactiviteit en impulsiviteit. Er bestaan drie typen ADHD:

  • ADHD-I, vroeger ook wel ADD-type genoemd. Hierbij staat een aandachtstekort het meest op de voorgrond;
  • ADHD-H, het overwegend hyperactieve en impulsieve type. Hier staan ernstige en aanhoudende impulsiviteit en hyperactiviteit op de voorgrond;
  • ADHD-C, het gecombineerde type. Zowel problemen van het onoplettende als het hyperactieve type zijn aanwezig. Dit type ADHD komt het meeste voor.

OCD:

OCD (obsessieve-compulsieve stoornis) is een aandoening waarbij iemand telkens terugkerende opdringerige gedachten heeft (obsessies), die iemand een angstig of naar gevoel geven. Om de angst te verminderen gaat iemand met OCD vaak bepaalde fysieke of mentale handelingen uitvoeren (compulsies). OCD is een afkorting voor de Engelse naam van de ziekte: obsessive-compulsive disorder. Dit wordt in het Nederlands obsessieve-compulsieve stoornis of OCS genoemd. Daarnaast wordt het ook wel een dwangstoornis of dwangneurose genoemd.

Diagnose

Voor de diagnose ADHD moeten dit soort problemen al langer dan een half jaar bestaan, zich niet beperken tot alleen school of thuis, voor het zevende jaar zijn begonnen en het algemeen functioneren ernstig bemoeilijken. De diagnose ADHD wordt gesteld door een medisch specialist: meestal is dit een (kinder- en jeugd)psychiater. Dit gebeurt aan de hand van criteria beschreven in de DSM IV, een handboek met beschrijvingen van psychische stoornissen. Daarnaast wordt er vastgesteld of de patiënt niet aan een andere aandoening lijdt die (deels) dezelfde kenmerken vertoont, zoals het syndroom van Gilles de la Tourette, het Foetaal Alcohol Syndroom of verschillende syndromen met genafwijkingen.

In veel gevallen gaat ADHD samen met andere (psychiatrische) stoornissen. Enkele voorbeelden zijn: stoornissen in het autistisch spectrum (zoals PDD-NOS), agressieve gedragsstoornissen, motorische stoornissen, angst- en stemmingsstoornissen, tics, en leerproblemen. Via de huisarts kan een kind worden doorverwezen naar een zogeheten 2e-lijns medisch specialist, die de diagnose ADHD kan stellen.

Behandeling

Kinderen met ADHD hebben een grote bewegingsdrang en hebben vaak moeite met het controleren van hun bewegingen. Door verbetering van de sensorische informatieverwerking kan hun prikkelverwerking en gedrag verbeteren. Ook kan er gewerkt worden aan verbetering van de fijn en grof motorische vaardigheden. Soms kunnen er medicijnen voorgeschreven worden en er zijn verschillende gedragstherapievormen die bij ADHD ingezet kunnen worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om het ontwikkelen van zelf-inzicht, het leren beheersen van impulsen, beloning van gewenst gedrag of het aanleren van een goed georganiseerde dagstructuur.

DCD

DCD (Developmental Coördination Disorder) of coördinatie-ontwikkelingsstoornis werd vroeger (ontwikkelings)dyspraxie genoemd. De stoornis is relatief onbekend en wordt vaak pas op de basisschool “ontdekt.” Men vermoedt dat  ongeveer 5% van de kinderen DCD heeft. Het komt drie tot zeven keer vaker voor bij jongens dan bij meisjes. De cijfers zijn niet heel betrouwbaar, omdat er geen eenduidige manier van diagnosticeren is.

Kinderen die DCD hebben, hebben moeite met het aanleren en uitvoeren van motorische taken, zoals zich aan- en uitkleden, fietsen, zwemmen, tekenen, knippen en schrijven. Handelingen die voor andere kinderen vanzelfsprekend zijn, vergen voor deze kinderen heel veel inspanning. De volledige criterialijst kun je terugvinden in de DSM IV-TR. Duidelijk is, dat als je een beetje onhandig bent, of niet zo goed kan voetballen, je nog geen DCD hebt. De symptomen variëren met de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Doordat DCD voor een deel een rijpingsprobleem van het centrale zenuwstelsel is, verminderen de problemen uiteindelijk wel wat. In de loop van de tijd worden de motorische vaardigheden beter, al kost het wel meer inspanning dan bij kinderen zonder DCD.

DCD heeft geen duidelijke oorzaak. Vaak is er een lichte afwijking op de NMR-scan te zien, maar ook dit hoeft niet zo te zijn. Vermoed wordt, dat het bewegingsplan bij deze kinderen niet goed is. Ze kunnen dan verschillende bewegingen niet integreren. Vaak zie je dat deze kinderen niet goed een motorische taak kunnen aanleren, het kost bv heel veel moeite om te leren schrijven of te koprollen. Er kan door de kinderfysiotherapeut een motorische onderzoek met afname van de M-ABC2 test, worden afgenomen. Deze test vergelijkt  het motorische niveau van uw kind met leeftijdgenoten, zo kan met behulp van deze test mede bepaald worden of er sprake is van DCD. Een aanvullend onderzoek om het algemene ontwikkelingsniveau te bepalen wordt meestal gedaan door een orthopedagoog of kinderpsycholoog.

Met kinderfysiotherapeutische begeleiding werken we aan het verbeteren van de coördinatie tijdens bewegen en trainen we de spierkracht en andere motorische vaardigheden. Tevens kunnen kinderen doorstromen in het Beweegprogramma Fitkids (zie kopje ‘’Fitkids’’).